Infectieziekten (aids)

Voorbeelden van infectieziekten zijn: AIDS, de ziekte van Lyme, de EHEC-infectie en de mazelen. Ze worden veroorzaakt door de aanwezigheid van micro-organismen, zoals een bacterie, een virus, schimmel of een parasiet in het lichaam. Een bacterie of virus kan verschillende gezondheidsklachten geven.

Infectieziekten zijn vaak besmettelijk. Ze kunnen van voedsel, dieren of mensen op mensen worden overgedragen. Een van de bekendste infectieziekten is AIDS (hier speelt gezonde voeding een extra belangrijke rol).

Veel infectieziekten ontstaan tijdens een bezoek aan het buitenland. De meeste infectieziekten, zoals malaria, hepatitis A/B of de mazelen, komen in Nederland namelijk zelden. Dit komt o.a. door het gebruik van vaccinatie. Een vaccinatie voorkomt dat we ernstig ziek worden na een infectie.

Infectieziekten zijn te herkennen aan verschillende symptomen. Klachten die kunnen optreden zijn:

  • Koorts;
  • Hoesten;
  • Diarree;
  • Ongewenst gewichtsverlies;
  • Groeiachterstand;
  • Verminderde eetlust;
  • Misselijkheid;
  • Braken;
  • Pijnlijke mond of slokdarm;
  • Obstipatie.

Met de juiste eetgewoonten kun je bepaalde infectieziekten helpen voorkomen of afremmen. Voor mensen met AIDS zijn er een aantal extra voedingsadviezen.

Hygiëne

Tijdens de productie of bereiding kan voedsel besmet raken met ziekteverwekkende micro-organismen. Door hygiënisch te werk te gaan, kun je een voedselinfectie voorkomen. Waar kun je op letten?

  • Was je handen voor en na het bereiden van eten (ook na een toiletbeurt);
  • Gebruik twee snijplanken: één voor rauw vlees en de andere voor groente. Maak het jezelf gemakkelijk en kies voor snijplanken met verschillende kleuren, zodat je altijd dezelfde kleur plank gebruikt voor hetzelfde etenswaar. Zo voorkom je kruisbesmetting;
  • Bewaar voedsel dat koel moet blijven in de koelkast. Gebruik producten die langer dan 2 uur buiten de koelkast hebben gestaan niet meer;
  • Verhit voedsel voor gebruik goed;
  • Twijfel je aan de kwaliteit van het kraanwater in het buitenland? Kook het dan voor gebruik of koop flessen met water.

Weerstand

Met een gezond voedingspatroon versterk je jouw weerstand en/of houd je het op peil. Hierdoor is je lichaam beter voorbereid op infecties en loop je minder risico ziek te worden.

AIDS

Bij de infectieziekte AIDS neemt voeding een belangrijke plaats in. Volwaardige voeding voorkomt ondervoeding en verhoogt je weerstand tegen andere infecties. De aandoening vraagt veel van je lichaam. Daarom heb je vaak extra energie en eiwitten nodig.

Waar kun je nog meer op letten:

  • Gebruik voldoende vet, voedingsvezels en vocht. Eet als volwassene dagelijks minimaal 200 gram groente, 2 stuks fruit, 6-7 sneetjes brood besmeerd met halvarine, 4-5 aardappelen, 450 ml melk(producten), 100 gram vlees bereid in 1 eetlepel bak- en braadvet of olie en 1,5-2 liter water;
  • Gebruik 1-2 keer per dag een multivitaminetablet;
  • Vermijd bij diarree de voedingsstoffen lactose (komt voor in melk en melkproducten) en sacharose (komt voor in suikerklontjes, snoep, koek, chocolade, frisdrank en zoetbeleg);
  • Krijg je onvoldoende voedingsstoffen binnen via normale voeding? Neem dan vloeibare voeding zoals drinkvoeding of sondevoeding. Je kunt hiervoor terecht bij de huisarts of diëtist;
  • Heb je overgewicht? Probeer dan af te vallen. Verschillende medicatie kunnen er namelijk voor zorgen dat je energieverbruik omlaag gaat, waardoor je ongewenst kunt aankomen.

Een diëtist helpt je bij het krijgen van een volwaardig eetpatroon. Daarbij kan de diëtist jou voorzien van tips bij obstipatie, diarree of bij een verminderde eetlust. Lichamelijke klachten als misselijkheid kunnen je dagelijkse voedingsinname belemmeren, waardoor gewichtsverlies, ondervoeding of angst voor eten kan ontstaan. Samen met je diëtist bekijk je wat mogelijk is en ontvang je een persoonlijk voedingsadvies. 

  • Als je een infectieziekte hebt, zoals AIDS;
  • Als je vragen hebt over je huidige eetpatroon;
  • Als je ongewenst gewicht verliest;
  • Als je overgewicht hebt;
  • Als je een eentonige voedingspatroon hebt en/of weinig eetlust ervaart;
  • Als je last hebt van diarree en/of obstipatie.